Zeilen voor brood of plezier

Soms komt alles samen. 

We zeilen deze weken met onze zeilboot Manta over de Nederlandse wateren. Vanaf het Haringvliet varen we via de Volkeraksluizen naar Dintelmond, een industriehaven aan de Noord-Brabantse kant. Hier zijn we niet eerder geweest, we ontdekken dat we 10 km zuidelijker, door de sluis Benedensas, de Steenbergsche Vliet op kunnen varen naar het plaatsje De Heen. Daar is een idyllisch gelegen jachthaven tussen de rietkragen.


Dan blijkt dit gebied een belangrijke rol te spelen in het boek dat Bas aan het lezen is. De titel is Een vrouw van staal, de buitengewone biografie van een binnenvaartschip, geschreven door Corine Nijenhuis. Het vertelt het ‘leven’ van de klipper Alfons Marie vanaf de bouw in 1901 totdat ze als woonschip komt te liggen in Amsterdam. In 2007 kopen Corine en haar vriend dit schip. Zij gaat op zoek naar de geschiedenis van het schip en de families die er op gevaren hebben. Dat beschrijft ze in dit boeiende boek. 

Zeilende beroepsvaart

Bas leest de passage voor waarin de zeilklipper vanaf de werf in Papendrecht onderweg is naar de sluis in Benedensas aan de monding van de Steenbergsche Vliet. De Zeeuwse delta is nog open en eb en vloed bepalen het leven. Ze moeten wachten tot het laag water is, zodat ze kunnen zien waar de zandbanken liggen.

‘Met gereefd zeil voeren ze op het land af. Ruim voor de slikken begonnen, draaide Adrianus de Alfons Marie met de kop in de wind. Onmiddellijk liet zoon Jan de fok zakken en Petronella het grootzeil. Met een klap viel het anker, de ketting ratelde. Daarna werd het stil.(..) De schippers wachtten.(..) In die korte tijd, wanneer de stroom rustte, zouden ze het anker opdraaien en in één keer op de kust afzeilen’. 1

Ik word meteen gegrepen door dit verhaal over beroeps zeilschippers uit de vorige eeuw en ga er helemaal in op. Bas moet maar even wachten, ik wil het  boek eerst helemaal uitlezen. Ik heb diep respect voor die mannen en vrouwen die vaak met het hele gezin op het schip woonden en werkten. Wij hebben zelf ook vijf jaar met een oude zeilklipper rondgevaren (van 1986 tot 1990), wat dit verhaal voor ons nog boeiender maakt. Gelukkig had ons schip toen al wel een motor en bestond onze lading niet uit suikerbieten en turf maar uit passagiers. 2

Stalen schepen

Corine ontdekt wie de opdrachtgevers voor de bouw van het stalen schip zijn: Adrianus en Petronella Vermeulen uit Roosendaal, hij is dan 70 jaar (!) en zijn vrouw negen jaar jonger. Het is een sprong voorwaarts voor hen, want tot 1900 varen ze op een houten tjalk. Als het schip van de werf rolt en gedoopt is, is de maidentrip naar Roosendaal om het schip met zijn moderne stuurwerk en stoere lieren door de familie te laten bewonderen. De enige manier om daar te komen is door  de sluis Benedensas (de maat van de klipper is daarop aangepast 23,5 meter) en dan over de Steenbergsche Vliet, Bovensas en de Roosendaalse Vliet, dat is ongeveer 25 kilometer. 

Door deze passages kijk ik anders naar de sluis van Beneden-Sas. Nu is het Volkerak afgedamd, is er geen eb en vloed meer en staat deze sluis altijd open.Vroeger was het een zeesluis en was er veel bedrijvigheid. het behoort tot de meest monumentale waterwerken van ons land en is gebouwd in 1824, 200 jaar geleden.  3

Het ‘schutten’ van een schip kostte tijd, er paste maar één schip tegelijk door deze sluis, en elke keer moest  de sluiskolk weer vol of leeglopen om een hoogteverschil in het zoute water met eb en vloed en het zoete water van de kanalen te overbruggen. Als er veel schepen lagen, kon het wel een dag duren voor je aan de beurt was. Vaak genoten de schippers en hun familieleden van dit oponthoud en gebruikten ze die tijd om bij te praten, klussen aan boord uit te voeren  en de was te doen. Bij het veerhuis achter de sluis, nu een restaurant, konden ze een borrel drinken en proberen een ‘scheepsjager’ te strikken. Op de vlieten kon niet gezeild worden, de klippers  hadden tot de dertiger jaren geen motor. Wie het betalen kon, liet het schip door paarden of een boerenknecht trekken( jagen via het jaagpad) met een lang touw via de mast. Wie krap bij kas was, deed zelf het zeel of borsttuig om.

Eerste en laatste tocht van Adrianus

Op deze eerste tocht lukt het Adrianus niet om een goede prijs af te spreken en gaan hij en zijn zoon Jan zelf jagen. Trots neemt hij onderweg alle complimenten over zijn nieuwe schip in ontvangst.
Heel ontroerend vind ik de beschrijving van de laatste tocht van Adrianus naar Roosendaal. Op een winderige dag in de herfst van 1913, als ze leeg onderweg zijn naar Rotterdam, komt hij met zijn trui vast te zitten aan het stuurrad, hij overleeft dat niet. Cornelia, die nooit betrokken werd in de beslissingen van haar man, zegt nu beslist:  ‘ik wil ‘m naar huis, ik begraaf hem niet in een vissersdorp’. Zoon Jan legt het schip voor anker op de Oosterschelde als het opeens dichttrekt van de mist, zeevlam. Twee dagen liggen ze gevangen in de mist en de tijd dringt. Als de mist optrekt zien ze een collega schipper vlakbij langsvaren, de rouwwimpel wordt opgemerkt en de boodschap dat Adrianus overleden is, snelt hen vooruit. De schepen die ze onderweg tegenkomen blazen op hun hoorn ten teken van rouw, de andere schippers wijken uit als ze de rouwwimpel zien en nemen hun pet eerbiedig af. Als ze aankomen bij de sluis Benedensas, staat deze al open en kunnen ze gelijk schutten. Er staat een paard klaar en er zijn vele bereidwillige mensen om het schip met het lichaam van Adrianus op tijd in Roosendaal te krijgen. Dat is gemeenschapszin.

Alfons Marie herkend

Het boek is een uitgebreide en indrukwekkende kroniek van de veranderingen in de binnenvaart, van gelaten wachten op goede wind en tij, laten slepen door stoomsleepboten en het inbouwen van motoren in de schepen zelf. Het is steeds aanpassen aan de veranderende omstandigheden en aanbod van goederen.

Wanneer wij twee dagen later weer vanaf De Heen door de sluis terugvaren het Volkerak op, liggen er twee schepen afgemeerd aan het remmingwerk voor de sluis. Een tweemastklipper en een klein vrachtschip van 40 meter. Ik maak foto’s en opeens zie ik dat het vrachtschip Alfons Marie heet. Ik ben even in de war, dit is geen klipper, hoe kan dat? Dan dringt tot me door dat dit toch het schip is waar het boek over gaat. In 1947 werd er een rechte kop en een ronde achterkant aangezet en is het schip een paar meter verlengd. 4
Als de schrijfster haar onderzoek heeft afgerond naar de historie van het schip, besluit ze in het voorjaar van 2015 in het bijzijn van de nog levende oud-eigenaren het schip te herdopen met de oorspronkelijke naam: Alfons Marie. 5 Ik zit zo helemaal in dit boek, dat ik wat euforisch ben. Dit is het schip waar ik al een week  over lees! Via de marifoon probeer ik het schip op te roepen, zonder resultaat. Het voelt als het tegenkomen van een oude bekende. 6

  1. Een vrouw van staal, de buitengewone biografie van een binnenvaartschip, 2015 citaat p 37. Met dank aan Jacco Pols voor het uitlenen van het boek
  2. Ons vroegere schip, de Petronelle Lydia, was in 1905 gebouwd als de Betuwe
  3.  spuisluis  Check deze video: sluis benedensas 200 jaar  spuisluis  

https://share.google/eNOEhvOKfMQi4b7WP

  1. Eigenlijk is van  het originele schip alleen het tussenstuk nog bewaard gebleven.
  2. De schrijfster kon eerst niet vinden naar wie het schip  vernoemd was. Het blijkt het dan vierjarige zoontje van de geldschieter te zijn.

Een gedachte over “Zeilen voor brood of plezier”

  1. Wat een spannend en informatief verhaal. Bijzonder hoe dingen samen kunnen komen. Al is het nu een heel andere tijd, kun je toch je goed indenken hoe het was. En eigenlijk met dezelfde emoties die we nu nog steeds ervaren.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *